Een vergoeding die aan het kantoor van de havenmeester moest worden betaald na het bevrachten van een schip; het tonnenmaatrecht moet niet worden verward met het bevrachtingsrecht. – Betaling die binnenkomende (uitgaande) schepen moesten betalen in verhouding tot – de capaciteit (laadvermogen, d.w.z. de scheepsruimte voor lading, ook wel scheepsruim genoemd; stuwfactor) of – de werkelijke lading, beide keren berekend in laadvermogen, waarbij in de loop van de metrificatie vanaf 1869 1 lading = 2.000 kilogram = 2 ton moest worden betaald. – Zie ankergeld, losgeld, instapgeld, voordegeld, havengeld, kadegeld, kraangeld, laadgeld, liggeld, vuurtorengeld, loodsgeld, petgeld, praticageld, spatiegeld, sluisgeld, bulkladinggeld, stuwgeld, tongeld, weeggeld.
Opgelet: De financiële encyclopedie is auteursrechtelijk beschermd en mag zonder uitdrukkelijke toestemming alleen voor privé-doeleinden worden gebruikt!
Universiteitsprofessor Dr. Gerhard Merk, Dipl.rer.pol., Dipl.rer.oec.
Professor Dr. Eckehard Krah, Dipl.rer.pol.
E-mailadres: info@jung-stilling-gesellschaft.de
https://de.wikipedia.org/wiki/Gerhard_Ernst_Merk
https://www.jung-stilling-gesellschaft.de/merk/
https://www.gerhardmerk.de/